Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zelfs als psychologische letterkunde — maakt den beer, den tijger, den zwarten panter, de slang en den olifant tot karakters die geen wezenlijke dierpsychologische werkelijkheid bezitten: Baloo, Shere Khan, Bagheera, Kaa, Hathi.

Op den manken tijger valt de schaduw. Het is een valsch, verraderlijk, bloeddorstig dier, vijand van Mowgli, het menschenkind, dat, bij de wolven opgevoed, de vriend van de andere dieren der jungle is geworden. Maar Baloo, de beer, is een oud wijs jungle-jurist, en Bagheera, de zwarte panter, een van de felste bloeddorstigste roofdieren, ontembaar in werkelijkheid, Mowgli's trouwste vriend en verlosser. Kaa, de python, is wijs en oud, machtig onder de machtigen en de redder van het kind uit de wereld der apen, en Hathi, de olifant, is als Kaa een rustige, ervaren grijsaard,

Bij Kipling worden soms ook individueele dieren van een apart karakter voorzien. Het is hem niet meer voldoende, zooals het oude dieren-epos — trouwens ook moderne dierschrijvers volgen de traditie —, voor elk wezen uit de arke Noachs één vertegenwoordiger te kiezen, die een voornaam heeft: Isegrim of Reinaard, Cuwaard of Tybert, en als achternaam dien van zijn soort draagt: den wolf, den vos, den haas, den kater. Er zijn meerdere wolven in de „pack": Akela, het oude opperhoofd, Greywolf, de voedsterbroer, die eenvoudige individueele verschillen vertoonen. Maar de vermenschelijkte dierletterkunde, hoe willekeurig soms ook in de wijze, waarop het een of ander dier van karakter voorziet, blijft altijd wat schuchter, wanneer ze verschillende individuen van één soort laat optreden en durft niet een edelen wolf en een boosaardigen, een sentimenteelen vos en een listigen in

Sluiten