Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

verschijnen. Hij vertegenwoordigt Frankrijk als het land van idee en ideaal, bereid stof te offeren voor geest. Dit karakter is een overdrijving en een veredeling van het typische hanenkarakter uit de folklore van veel volkeren. Eigenaardig is het parelhoen, dat als 'n overdreven intellectueele en hysterisch artistiek doende dame, die „jour" houdt, wordt voorgesteld. Misschien is het nuffige kopje van het dier, zoo kleintjes en scherpjes, op het stemmig pretentieuse lei-blauwe rokje, het werkelijke uiterlijk dus, wel oorzaak van deze willekeurige dierpsychologie.

Edel en eenvoudig is de hond, Patou, Chantecler's waarschuwer en verdediger; de fazantenhen, verleidelijk en aanlokkelijk, een vreemde bohémienne in den goed-burgerlijken hoenderhof. Deze hen heeft het gevederte van een haan aangenomen, een sekse-maskeering, die bij onvruchtbare fazantenwijfjes voorkomt.

Misschien was dit feit den schrijver bekend en maakte hij er gebruik van om zulk een „amazone" tot de bekoorlijke „aventurière", die vriend Chantecler naar de bosschen lokt, om te tooveren. Ik hoef er niet op te wijzen, dat geen van deze „willekeurige karakters" conventioneele konden worden in onzen tijd, en dat we van nu af aan in een merel een kouden spotter en in een parelhoen een pretentieuze juffer zouden zien.

Waldemar Bonsels „Biene Maja" verdient ook even bij de moderne anthropo-morphiseerende dierenboeken genoemd te worden, omdat in dit bekoorlijke sprookverhaal de insectenwereld, die tot nu toe uitgesloten was van het dieren-epos, dichter tot ons wordt gebracht juist door een sierlijke ver-

Sluiten