Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een verdeeling der fauna in nuttige en schadelijke dieren, 't klinkt ons nu zoo praktisch en 't is van meer belang voor het landbouw-onderwijs dan voor een objectieve zoölogie; toch was die verdeeling eens de machtigste spil van de wetenschap, de kern nog van Buffon's achttiende-eeuwsche dierbeschrijving. Voor ons onderwerp is dit feit, dat in een geschiedenis der biologie besproken moge worden, slechts van belang, omdat deze verdeeling, zoo onwetenschappelijk ego-centrisch soms, voortgekomen is en in ieder geval ten deele samenvalt met de oude mythologieën en volksgelooven, die de dieren in wezens van het licht en van de duisternis, in kinderen van God en van Satan onderscheidt.

Meestal zijn de satansdieren de schadelijken, als de wolf, de vos, de tijger; ook het nachtleven heeft de menschen heel spoedig in de nocturnen kinderen des duivels doen zien: rat en muis. Het leven van dierlijk aas was voldoende om de beoefenaars van dit opruim werk op de zwarte lijst te plaatsen: gieren, hyena's, jakhalzen. Bijzondere leelijkheid gold als duivelsche misdaad: spin, vleermuis, pad. En ten laatste leidde een zekere gelijkenis met den mensch tot sataniseering van het dier. Deze gelijkenis is vooral te vinden bij dieren, wier oogen faciaal en niet zijlings staan als uil en kat. (De opmerking is van Dr. Franz Leppmann).

Vooral in de dichtkunst nemen poëten argeloos deze oude mystieke dierkunde over, natuurlijk omdat ook modernen, wanneer ze kinderlijk onbevangen zijn, dezelfde indrukken en emoties bij 't zien der dieren krijgen en ondergaan, als dit bij oude volkeren het geval was. Een dichter als Victor Hugo stond onder den ban van deze opvattingen en deed zijn lezers griezelen van vleermuizen, die hij als

Sluiten