Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

mensch als beheerscher van een „stomme" natuur, welker hoogste verdienste nog was, dat zij de menschenmaatschappij met een illustratieve lijst omsloot.

Tegen het einde der achttiende eeuw roepen het hosch, de hei, het wilde landschap de natuurbehoeftige zonen van overbeschaafde achttiende-eeuwers tot zich, die alles versnoeien en ornementeeren wilden, van hun boomen tot hun kleine liefdes. De ruïne wordt nu meer geëerd dan het ordentelijke buitenhuis en de uil vaart daar wèl bij. De tuin is pas de moeite waard, wanneer hij opzettelijk tot een woestenij gemaakt wordt. Wanneer ook de ,,pas-klaar" gefabriceerde ruïne en het „bosch" van den tuinman heeft afgedaan, trekt men naar het echte, werkelijke buiten. Het dier, de ware bewoner der natuur, wint de liefde van dichters en schrijvers. In hen zien de pantheïsten, voor wie God het gezamenlijke leven is, de godheid. Dat de dieren een ziel hebben: men twijfelt er niet meer aan; die ziel is een zuster van die der menschen en een dochter van God x). De romantiek is ten opzichte van de renaissance en het klassicisme, een cultuur van de beweging tegenover een cultuur van het in zijn schakeering onveranderlijk bestaande. De romantiek zwierf; ze doorliep den tijd en vertelde van de

*) Zelfs de wetenschap van dezen tijd was dweepend pantheïstisch. Dr. Franz Leppmann (in zijn Kater Murr und seine Sippe) citeert een werk van Scheitlin „Versuch einer vollkommenen Tierseelkunde" (1840) dat als motto draagt: „Den grooten geest, den Vader van al wat geest heeft, in diepe aanbidding voor al zijn kinderen, mogen ze ook engelen, menschen of wurmen genoemd worden." Karl Gustav Carus (1868) in zijn ,,Reihenfolge der Tierwelt" werpt het probleem van de individueele onsterfelijkheid der insecten-ziel op. En Lorens Oken, een echte romanticus, zegt in zijn ,,Lehrbuch der Naturphilosophie", III» (Jena, 1811),^ van de slak: ,,Zeker, de slak is een verheven symbool van den diep in 't innerlijk sluimerenden geest."

Sluiten