Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De moede kop knikkebolt op en neer Om zich het wachten en den tijd te korten.

Maar het rumoer ontrukt haar aan den droom, Het geile lachen uit de kroeg snijdt haar den slaap af. Ze zet een stap vooruit, bereid voor weer een rit

En slaperig meent ze, dat ze stalwaarts gaat, En zoekt wat steun in 't eigen lijf uit slaperigheid; Nog eenmaal klapperen de wagenbanken.

Dit is het paard als treffendste vertegenwoordiger van de groote stad der laatste jaren van de vorige eeuw, het paard van Aristide Bruant's chansons, het geduldige, zwarte dier met zijn bijna menschelijk tuigage-uniform, dat voor de deuren van Montmartre en van de Friedrichstrasse-lokalen wachtte op het vrachtje.

De dierenromantiek, die van de bosschen naar wei en stal ging met het naturalisme en van blauw, zwart en modderig werd in de groote-stadsellende, waarnaar deze beweging alles wat zij belangwekkends vond, toesleepte, heeft zich ook geopenbaard in circus- en dierentuin-litteratuur. Hier moeten we onderscheiden tusschen de geschriften, die deze instellingen prijzen en die ze afkeuren. Op zich zelf heeft de reizende menagerie veel romantische bekoring en het toeven van wilde dieren in de hokken en perken der tuinen wekt de verbeelding van den romanticus op. Maar ook om de instelling der menagerie te bestrijden nam de humanitaire dichter °. , "Vver vaak zijn toevlucht tot blauwe romantlrc' .^y vergelijkt het gekooide dier met een menlijken gevangene en laat het van het geboorteland droomen, zooals Goethe's Mignon naar Italië verlangde.

Sluiten