Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men vergelijke, om een indruk te krijgen van wat er voor en tegen den dierentuin door schrijvers werd gevoeld, een vers van den Engelschen dichter George T. Marsh met heel het werk van Paul Eipper en met de lofliederen op den „Jardin des Plantes" in Hugo's „L'art d'être grand père". En men moet vooral opmerken, dat zoowel de voorals de tegenstanders van de menagerie, of zij het gevangen dier beklagen of bewonderen, dit doen in een romantisch licht.

IN DEN DIERENTUIN

Bannelingen stappen binnen enge grens Achter hun ijzren hek.

Waar ook de menschenhand hen vindt, Hij breekt hun sterken blik,

Behalve in 't uur van den nacht,

Als naar de lieve sterren Hun oog geheven wordt.

Zie een gulden arend peinst Met glazig, niets-ziend oog.

Nooit schiet hij meer over de sneeuw,

Waar blauwe siërra's rijzen.

En daar ligt, ziek naar 't heuvelland Van zijn geboort, een trage panter.

Welke droom van stille Noordpool-nacht Verstoort d'ijsberenslaap ?

Zwerft hij nog eens in vrijheid

Daar waar d'eeuwge sneeuw rondvlokt?

Welk aandenken aan de jungle Bewaart die mag're tijger?

Sluiten