Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„een viervoetige slang die van achteren aanvalt" genoemd. Zelfs het oude circus met de kooiwagens, in wier kleine ruimte de dompteur optrad, die heusch geen „ellendig farceur" en geen „straffeloos lasteraar" was, want meer temmersbloed dan dierenbloed kleeft er aan de donkere wanden van die kooien, zelfs het oude circus, dat men van humanitair standpunt zeker moet afkeuren, had een groote, wilde schoonheid. Men mag van het gekooide dier niet zeggen: „Het hok maakt hem kleiner." Het oude hok is verwerpelijk, maar een dier in een hok is vaak dreigender dan in het wild. Men moet den olifant in 't vrije eens vergelijken met de sombere, dreigende, aan een poot gebonden gestalte op 't podium van den circusstal, om te weten, dat Hildebrand meer gedacht dan gezien heeftx).

Maar hoeveel vrienden heeft het circus niet onder de schrijvers, die den romantischen gloed, die onder den zeilen koepel heerscht, de werveling der paarden, de march der kameelen, het uitschieten, het mokken der roofdieren tusschen de uniformen der dompteurs, de frak van den schoolrijder, de matrozen-fleur der zeeleeuwen-dresseurs beschreven hebben? Victor Hugo noemde Bidel, den beroemden roofdierendompteur „leo inter leones", Théophile Gauthier heeft ons de kleurrijkste beschrijvingen van circus en beestenspel gegeven, Paul Eipper en de schrijfster Colette hebben het dier in de kleeren, de gedresseerde katten en honden met hun

1) Eipper, de minnaar van dieren en hun tuinen en circussen, keurt zelf het kleine hok af: „Twee dingen zijn een onverbiddelijke eisch en wel ten eerste ruimte. Met schrik en verontwaardiging herinner ik me een donker, vochtig gebouw, dat nog ergens in een dierentuin te vinden is uit het jaar 1875. In getraliede holen wonen er de jakhalzen. Bij de stichting van den tuin was het een gebouw voor leeuwen, tijgers en beren."

Sluiten