Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

welig van stap met wijde treden voortliep. Hij ging zoo langzaam mogelijk om hem niet te prikkelen; uit de diepte der struiken zag hij stekelvarkens, vossen, adders, jakhalzen en beren komen.

Juliaan begon hard te loopen; ook zij liepen hard. De slang blies, de stank verspreidende dieren kwijlden. Met zijn slagtand wreef de ever tegen Juliaan's hakken, de wolf streek met de haren van zijn muil de palm van diens hand. Grimassen trekkend knepen hem de apen, en over zijn voeten rolde de steenmarter. Met een pootslag wierp hem een beer den hoed van het hoofd..."

Bosch- en prairiebranden, die de dieren naar buiten jagen en 's menschen verbeelding tot werkelijkheid maken, helpen de schrijvers aan motieven om zulke dierenstoeten, zoo'n galop der wildernis te schilderen.

André Demaison in zijn ,,Le livre des bêtes qu'on appelle sauvages" verhaalt in ,,Tan" van een jungle, die uitloopt om den brand te ontvluchten en geleid wordt door de antilope, die de wereld der gekoloniseerde gronden kent.

Steeds wil de mensch in een romantisch décor eens al de dieren der wildernis in draf zien voorbij trekken. Voor het zachte samengaan der dieren van het Paradijs komt de droom van de helsche dierenstoet, der verdelging, die den mensch op de hielen zit.

De dierendood wordt ook zeer dikwijls in 't stervend licht van romantisch medelijden besschreven. Dit deed reeds Catullus, die den dood van het muschje zijner geliefde bedichtte. Het motief echter is ook in de zuiver aesthetische dierletterkunde te vinden; het doode dier is zóó hulpeloos en zóó teer, zelfs wanneer het groot is, dat vele schilders en veel

Sluiten