Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijvers reeds om hun schoonheid het gestorven dier uitbeeldden.

Er schuilt een romantisch, een bijna oratorisch pathos in den dood van een wezen van kracht, het instorten van paard of olifant. Toevalligerwijze was ik in Artis erbij tegenwoordig toen Toni, het stoere hooge olifantenwijfje, door een beroerte getroffen neersloeg en afgemaakt moest worden. Een stervend mensch wekt, omdat een mensch kleiner en zwakker is, een ander meelij dan deze reuzin, die nu al, nog boven de aarde, door den grond werd gevangen. Hulpbehoevend krampachtig spartelde Toni met de pooten en de massieve voeten sloeg ze stuk. Een olifant, een paard, een musch worden één in den dood; ze leenen zich misschien meer Voor ontbinding door den grond, voor 't opgenomen worden in den bodem, dan een mensch. Het dierlijk is altijd hetzelfde en dat juist die stuiptrekkende olifant op de aarde van zijn hok zoo Weinig verschilde van de stervende muis aan den voet van een boom, schonk haar dood zijn pathos. Kreng blijft kreng, van een roodborstje, van een Paard, een musch of een kraai. Maar menschen hebben een individueel, een stoffelijk overschot. Ondanks mijn wil, waargenomen verschijnselen niet te doen ontaarden, is mij deze machtelooze olifant uit Artis bijgebleven als het sybool voor 't groote wee Van vergankelijkheid en van verwoesting.

Het dier, wiens dood hét meest bezongen en ook geschilderd werd, is de aap. Zijn sterven brengt ons in een heimwee-stemming, vooral wanneer hij ver van zijn bosschen het leven moet verlaten. In zijn °ogen zien dichters een grooten weemoed, dien apenoogen gedurende het gezonde leven niet kennen en de doode aap heeft een schoone, moede,

Sluiten