Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

armelijke hulpeloosheid, die ook al over het zieke dier ligt, maar de gezonde, vroolijke bengel mist. August Legras schilderde het doode aapje, van twee onzer moderne dierteekenaar-schilders, Sam van Beek en Jacques Kaas, ken ik 't schilderij en de crayon van een dooden baviaan, met zielig neergeslagen blauwwitte oogleden en de sterke pooten verslapt. Alscher in zijn „Tier und Mensch" vertelt van den stervenden aap. Ik las een gedicht van Maria Louise Weiszmann op een stervende gorilla (Soffel und Klabund „Der Tierkreis"). Te weinig kent men Anatole France's gedicht: „La mort du singe" uit „Les Poèmes dorés". De laatste strophe hiervan wil ik even aanhalen:

Dan drukt een vage nacht op 't smalle schedeltje. Hij laat zijn nek en zware kaken hangen. Hij rochelt; zwarte schimmen stijgen op. 't Is middernacht, het stervensuur, dat vreê hem

[brengen zal.

Het sterven van honden en katten, het kalme, kiesche, kuische sterven van dieren — sommige schrijvers meenen dat het dier zich schaamt in 't openbaar te sterven, andere vinden dit een romantische opvatting, bijvoorbeeld Charles Derenne — is al bedicht door Joachim du Bellay, de Franschman der zestiende eeuw, die zich in Rome in ballingschap voelde en er ook nog vrienden, een kat en een hond, moest verrliezen. William Wordsworth dichtte een „tribute to the memory of a dog". Frans Coenen heeft over het sterven van een hond, Jacobus van Looy over dat van een kat geschreven; roerend zijn de bladzijden waarin Mirbeau zijn trouwen Dingo, die in dit tamme leven

Sluiten