Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I

En ver van 't zwarte wereldrond en van de ster,

[die leeft,

Slaapt hij in d'ijzen lucht, met uitgespreide vleugels.

Het is opmerkenswaardig, dat de zuiver aesthetische dierletterkunde zich vooral wijdt aan het zoogdier. De vogel, vooral de zangvogels ontlokken den dichter steeds persoonlijke ontboezemingen en voeren hem van 't beschrijvende weg .

Onder de zoogdieren werd natuurlijk het paard, het „fiere ros", het meest bezongen. De antieken Wisten de waardige, gedrukte kalmte van het rund te huldigen. De modernen aller volkeren zijn vereerders van de schoonheid der kat. Wij kunnen den aanvangsregel van Baudelaire's kattengedicht niet vergeten, waar we ook dit schoone, lichamelijk en geestelijk zoo geconcentreerde dier ontmoeten.

Kom schoone kat op mijn minnende hart,

Houd in de klauw van uw pooten!

Wat men ook psychologisch in de kat meent aan te voelen, het vrouwelijk-lokkende en het mannelijk-wijze, de wetenschap der hoogste wellust en der hoogste tevredenheid in het beschouwen, de physieke schoonheid van dit dier wisten al de vele Vertolkers van zijn ontoegankelijke ziel te eeren.

De dierlijke schoonheid weet de moderne ook in de lagere werveldieren en in de insecten en crustaceeën te ontdekken. Het zachte vliegengedicht van den Franschen dichter Charles Grandmougin, die het zomersche zoemen der vliegen in een zonnige keuken tot een dichtmuziek maakte, waarin het groote vrije buiten en de huiselijke intimiteit samensmelten, Gauthier's zangen van den krekel en van de

i

Sluiten