Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VI. OP ZOEK NAAR DE ZIEL DER DIEREN

DE psychologische dierenletterkunde houdt het nauwst verband met de wetenschap, welke het leven wil onderzoeken, de biologie in het algemeen, en welke de dieren bestudeert, de zoölogie, in het bijzonder.

Ofschoon een bepaalde denkwijze der menschen over leven en dieren, die nu eens als bovenstroom, dan als onderstroom in de wetenschap tot uiting kwam, ziel en leven geïdentificeerd heeft, het z.g. vitalisme, en Aristoteles reeds over de spyche van al Wat organisch leeft heeft gesproken, is de opvatting, dat de dieren een van hun lichamelijk leven gescheiden psychisch bestaan hebben, anders dan het onze maar toch hiermee verwant, zeer modern.

Bekend is, hoe laag de klassieke zeventiendeeeuwsche wijsbegeerte van Descartes de dieren aansloeg. Machines, volkomen zielloos, bestuurd door eenmaal in beweging gebrachte organen, zag hij in het dier. Het scherpst, mijns inziens het domst, wordt dit mechanische dier gekenschetst door een uitlating van Descartes' volgeling Malebranche (,,Recherche de la vérité", VII, 2me partie), die ik laat volgen1). „Zoo hebben de dieren verstand noch ziel, in den zin, welken men hier gewoonlijk aan geeft. Zij eten zonder vreugde, zij schreeuwen zonder pijn, zij groeien zonder 't te weten; zij verlangen niets, noch vreezen iets, zij kennen niets, en indien ze op een wijze handelen, welke verstand Zou doen vermoeden, komt dat, wijl God, die ze

l) Em. Radi's boek: ..Geschichte der biologischen Theorien in der Neuzeit", I, heeft me op die uitspraak attent gemaakt.

Sluiten