Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lijkheid, werd een veel beoefend biologisch terrein, dat nog midden in zijn ontginningsperiode staat tegen het einde der vorige eeuw met wetenschappelijken als o.a. G. J. Romanes, P. Hachet-Souplet, Ewald Herings, Karl Groos, G. Bohn, en hier te lande Professor Dr. F. J. J. Buytendijk en A. F. J. Portielje.

Opmerkelijk is het, dat met deze psychologische oriënteering der zoölogie ook een psychologische, naar waarheid zoekende dierletterkunde samengaat.

Misschien heeft de wetenschap een breederen stap gemaakt, zeggen we, van Cuvier tot Hachet-Souplet, een geleerde, die de wetenschappelijke waarde der circusdressuur voor den dier-psycholoog waarnam, dan de letterkunde.

Heeft eigenlijk het volk en heeft ooit de dichter er aan getwijfeld, of de dieren een ziel hebben ? Heeft zelfs de pas later wetenschappelijk geworden natuurlijke-historie, de eigenlijke dierbeschrijving er aan getwijfeld? Men schreef den dieren toch een karakter toe, en bedoelde daarmee één overheerschende psychische eigenschap, moge die ook het dier ten onrechte toegekend zijn en uit oppervlakkige vermenschelijking zijn voortgekomen. Wanneer ik Buffon opsla, vind ik, dat de wolf slim is, en de eekhoorn gespaard moet blijven, ,,par sa gentillesse, par sa docilité, par 1'innocence même de ses moeurs". Dit zijn toch karaktereigenschappen, zielseigenschappen.

En nu is het eigenaardig, dat zoowel de wetenschappelijke dierspychologie, als de letterkundige dierpsychologische verhalen niet in hoofdzaak tegen de opvattingen van wetenschappelijken strijden, die de zoölogie geheel van haar morphologisch-physio-

Sluiten