Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

baar, niet te modelleeren zijn zou. De mensch is een instinctief wezen, zoo goed als het dier, wanneer men onder instinct de groote noodzakelijke wegen van ons willen verstaat en den daarmee gepaard gaanden drang en macht, dien wil in een daad om te zetten. Maar juist het modelleeren, het aan de omstandigheden aanpassen, het op deze of op gene wijze verwezenlijken, is voor de observeerende schrijvers — ik denk aan Long, Pergaud, Derrenne, Roberts, Eipper — een zielskracht, die de hoogere dieren met den mensch deelen.

Hun bewondering voor het dier geldt niet meer werkelijke of verleende ethische hoedanigheden, trouw of liefde bijvoorbeeld, maar de dierlijke vindingrijkheid, omzichtigheid, het bewonderenswaardige dierlijke savoir-fairé, en de laconieke wijze van te kunnen moorden en vermoord worden, nemen en afstand doen, ziek-zijn en sterven. Men zou zeggen, dat er iets hoog-dierlijks is, dat door het hoog-menschelijke, door moraal, vrees voor het eigen-ik, en geremde zoowel altruïstische als egoïstische instincten wordt uitgesloten, iets hoog-dierlijks, dat een Nietzsche in zijn „Uebermensch" terug zou wenschen. Dit hoog-dierlijke hebben de moderne dierbeschrijvers lief gekregen.

Naast de wetenschappelijke zoölogie, die ons het dier moet leeren kennen naar zijn vormen, verrichtingen, levensgewoonten en zielsbouw, is de dierenletterkunde noodzakelijk om ons de verhouding tusschen dier en mensch te leeren kennen, om ons allen met de wereld der dieren in verbinding te doen blijven en ons dat wat we in dierencultus verloren hebben, te vergoeden. Zonder de dieren-

Sluiten