Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schoon hij zich verongelijkt en gegriefd voelde. „Zeg Bagheera dan de Levenswoorden van den Dsjungel, die ik je vandaag geleerd heb."

„Van welk volk?" vroeg Mowgli, blij eens te kunnen laten hooren wat hij kende." Er zijn zooveel talen in de Dsjungel, maar ik ken ze allemaal."

„Iets weet je wel maar toch nog niet veel. Zie je, Bagheera, zoo gaat het altijd. Nooit hebben ze een woord van dank over voor hun onderwijzer. Nog geen enkele maal is er zoo'n klein wolfje teruggekomen, om den ouden Baloe voor zijn onderwijs te danken. Zeg dan maar de woorden van de Jagende Volken — groote leerling."

„Wij zijn van één bloed, gij en ik", zei Mowgli, de woorden het Beer-accent gevend, dat alle jagenden gebruiken.

„Goed. En nu voor de vogels."

Mowgli herhaalde de woorden, nu met het gefluit van den Wouw aan het einde van den zin.

„En nu voor het Slangen-volk", zei Bagheera.

Het antwoord was een niet te beschrijven gesis en Mowgli gooide zijn beenen in de lucht, klapte in zijn handen, om zichzelf toe te j uichen en sprong op Bagheera's rug, waar hij bleef zitten, met zijn hielen trommelend tegen de glanzende huid van de panter, terwijl hij tegen Baloe de lee'ijkste gezichten trok, die hij maar bedenken kon.

„Zie je nu wel! — Dat was toch wel een klein builtje op je hoofd waard, hè?" zei de bruine beer teeder. „Er zal wel eens een dag komen, waarop je aan mij zult denken."

Toen wendde hij zich terzijde, om aan Bagheera te vertellen, hoe hij de Levenswoorden had gevraagd aan Hathi, den Wilden Olifant, die alles

Wij en de Dieren 8

Sluiten