Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijn schouder tegen den Panter en samen gingen ze op weg, om Kaa, den Tijgerpython, te zoeken.

Zij vonden hem op een warm plekje, zich koesterend in de middagzon in bewondering voor zijn nieuwe huid, want hij had juist tien dagen in afzondering geleefd, om van huid te verwisselen, zoodat hij er nu prachtig uitzag, zooals hij daar lag, zijn stomp-neuzige kop langs den grond schietend en de dertig voet van zijn lichaam gekromd in fantastische knoopen en krullen, zich de lippen aflikkend bij de gedachte aan zijn aanstaand maal.

„Hij heeft nog niet gegeten", zei Baloe met een gebrom van verademing, zoodra hij de prachtig geel en bruin gevlekte slang zag. „Wees voorzichtig, Bagheera!" Hij is altijd een beetje blind, als hij pas zijn huid verwisseld heeft en er vlug bij met slaan."

Kaa was geen giftslang — hij verachtte de giftslangen zelfs als lafaards -—- maar zijn kracht lag in de wijze, waarop hij zijn tegenstander met zijn lange lichaam omstrengelde; wanneer hij zich om iemand geslingerd had, dan was er voor dien ongelukkige geen ontkomen meer aan.

„Goede jacht!" riep Baloe, die op zijn achterste was gaan zitten. Evenals alle slangen van zijn soort was Kaa vrij doof en hoorde den roep in het eerste niet. Toen kronkelde hij zich, gereed om zich, zoo noodig, te verweren, den kop laag bij den grond.

„Goede jacht voor ons allen", antwoordde hij. „Oho, Baloe, wat kom jij hier doen? Goede jacht Bagheera. Er is er tenminste één onder ons, die voedsel noodig heeft. Is er soms nieuws omtrent den een of anderen jachtbuit, of mogelijk een jonge stier? Ik ben zoo leeg als een uitgedroogde put."

„Wij zijn op jacht", zei Baloe luchtig. Hij wist

Sluiten