Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hij, want het ging vlugger dan bijten — links en rechts tusschen de apen, die in kringen, wel vijftig en zestig achter elkaar, rondom Mowgli zaten. Een gehuil van woede en schrik rees op, maar toen Bagheera de over den grond rollende en spartelende apen vertrapte, riep er een: „Hij is maar alleen! Slaat hem dood! Slaat hem dood! Een over elkaar rollende, bijtende, krabbende, trekkende en rukkende hoop apen viel over Bagheera heen, terwijl er een stuk of vijf Mowgli vastgrepen, hem op den muur van het zomerpaviljoen sleepten en door het gat in den koepel duwden. Een bij menschen opgevoede jongen zou zich bij den val leelijk bezeerd hebben, want hij viel meer dan vijf meter diep; Mowgli evenwel viel, zooals Baloe hem geleerd had, dat hij vallen moest en kwam op zijn voeten terecht.

„Blijf daar!" riepen de apen hem na, „tot we je vrienden gedood hebben, later zullen we dan met je spelen, als het Vergift-Volk je in het leven laat."

„Wij zijn van hetzelfde bloed, gij en ik", zei Mowgli, vlug den roep der Slangen uitend. Hij hoorde rondom in het puin geritsel en gesis en om zeker te zijn, uitte hij den roep nogmaals.

„Goed zzzoo!" zeiden vijf of zes zachte stemmen (elke ruïne in Indië wordt vroeger of later een woonplaats van slangen, en het oude zomerpaviljoen krioelde van cobra's). „Sta stil, broertje, anders konden je voeten ons bezeeren."

Mowgli stond zoo stil als hij kon en gluurde door het open lofwerk, luisterend naar het woedende lawaai van het gevecht rondom den Zwarten Panter — het gillen en kakelen en rumoeren der apen en de diepe, heesche hoest van Bagheera, die zich verdedigde en sloeg en zich wrong en achteruit trapte, bedolven onder den hoop vijanden. Voor

Sluiten