Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bent, m'n goeie, beste, brave kikvorsch!" kreunde Baloe.

„Daar zullen we later wel eens over praten", zei Bagheera droogjes en op een toon, die Mowgli in het geheel niet aanstond. „Maar kijk nou maar eens eerst naar Kaa, aan wien wij de overwinning en jij je leven te danken hebt. Bedank hem overeenkomstig onze gebruiken, Mowgli."

Mowgli keerde zich om en zag den kop van den grooten Python een voet boven zijn hoofd heen en weer wiegelen.

„Is dat nu het Menschje?" zei Kaa. „Zijn huid is heel zacht en hij lijkt wel wat op de Bandar-log. Je mag wel oppassen, Menschje, dat ik je, wanneer ik weer eens pas van huid verwisseld ben, in de schemering niet voor een aap aanzie."

„Wij zijn van hetzelfde bloed, gij en ik", antwoordde Mowgli. „Ik ontvang dezen nacht mijn leven van u — mijn voedsel zal uw voedsel zijn, wanneer ge ooit honger mocht hebben, o, Kaa."

„Wel bedankt, broertje", zei Kaa, met een knipoogje. „En wat kan zoo'n stoute jager dan wel bemachtigen ? Ik vraag dat, omdat ik hem dan misschien zou willen volgen, wanneer hij er weer eens op uit gaat."

„Ik jaag nog niet, ik dood nog niet — ik ben nog te klein — maar ik drijf geiten op, in de richting van hen, die ze kunnen gebruiken. Wanneer ge honger hebt, kom dan tot mij en onderzoek, of ik de waarheid spreek. Ik ben hierin goed geoefend" — hij strekte zijn beide handen uit, —, „en als ge ooit in een val mocht geraken, dan zou ik de schuld kunnen betalen, die ik nu heb aan u, aan Bagheera en aan Baloe. Goede jacht, gij allen, Meesters!"

Sluiten