Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat ongetwijfeld mijn haat tegen het dier deed toenemen was de ontdekking, die ik den morgen nadat ik het mee naar huis gebracht had, maakte, dat het als Pluto een van zijn oogen verloren had. Deze omstandigheid echter maakte het nog dierbaarder in de oogen van mijn vrouw, die, zooals ik reeds gezegd heb, in hooge mate het menschhevende gevoel bezat, dat ook eens mijn kenschetsende karaktertrek geweest was en de bron van vele mijner eenvoudigste en reinste genoegens.

De genegenheid van de kat voor mij scheen echter toe te nemen met mijn afkeer voor hem. Hij volgde mijn treden met een halsstarrigheid, die het me moeilijk zal vallen den lezer te doen gevoelen. Wanneer ik maar zitten ging zocht hij zich een warm plaatsje onder mijn stoel of sprong op mijn knieën en bedekte mij onder zijn afschuwelijke liefkoozingen. Stond ik op om te gaan loopen, dan kroop hij tusschen mijn voeten en gooide me bijna op den grond of hij haakte zijn lange scherpe klauwen in mijn kleeren en klom zoo tot op miin borst. J

Hoewel ik hem op zulke oogenblikken graag met één goeden slag zou afgemaakt hebben, werd me dit belet, gedeeltelijk door de herinnering aan mijn eerste misdaad, maar in hoofdzaak, dit moet xk dadelijk bekennen, door mijn werkelijke angst voor het dier. Deze bangheid was niet juist angst voor lichamelijk letsel en toch zou ik er met geen mogelijkheid een andere definitie van kunnen geven. Ik schaam me bijna te bekennen, — ja zelfs in deze misdadigerscel schaam ik me bijna te bekennen, dat de schrik en de afschuw, die het dier me inboezemden, nog grooter waren geworden door een van de meest onvervalschte hersenschimmen,

Sluiten