Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had van mij af te werpen, drukte eeuwig op mijn hart.

Onder den druk van dergelijke kwellingen bezweek het weinige dat nog goed in mij was. Booze gedachten werden mijn eenige gasten, — de somberste en de slechtste onder de gedachten. De droefenis van mijn gewoonlijke stemming was zoo groot dat zij tot haat tegen alle dingen en alle menschen werd; helaas, van de plotselinge, talrijke, wilde uitbarstingen van een drift, waaraan ik me sindsdien blindelings overgaf, was steeds mijn vrouw, die zich nooit beklaagde, het geduldigste slachtoffer.

Op een dag ging ze voor een of andere huiselijke bezigheid met me mee naar de kelder van het oude huis waar onze armoede ons dwong te wonen. De kat volgde me op de smalle treden van de trap. Toen hij me bijna hals over kop naar beneden had laten storten, prikkelde hij me tot krankzinnig-wordens toe. Ik hief een bijl op, in mijn dolle woede de kinderachtige angst vergetend die tot nu toe mijn hand had tegengehouden, sloeg naar het dier met een kracht, die natuurlijk noodlottig voor hem was geworden als de slag ware neergekomen zooals ik dat wilde. Maar die slag werd tegengehouden door de hand van mijn vrouw. Door deze tusschenkomst kwam er een woester dan demonische woede over mij, ik maakte mijn arm uit haar greep los en sloeg mijn bijl in haar schedel. Zonder een zucht te slaken viel ze op de plaats dood neer.

Toen ik deze afgrijselijke moord begaan had, wilde ik mij dadelijk en zeer bewust van de taak kwijten haar lichaam te verbergen. Ik wist, dat ik het niet uit het huis kon dragen, niet bij dag en niet bij nacht, zonder gevaar te loopen door de

Sluiten