Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vroolijk tierend uitvliegt op de regenwormvangst, verdwijnt zij onder de schaapskooi en hij volgt haar. Wanneer de herder de schapen naar buiten laat, hoort hij onder den vloer het geblaas en gesnuif en hij roept zijn jongen hond toe: „Widu, leer ze eens rustig zijn"! Maar Widu heeft er geen lust in; hij heeft genoeg van gisteren.

Juni gaat voorbij en Juli ook. ^A^anneer de vrouw van den herder de mesthoop ondersteboven keert, vindt ze in een bundel dor gras vijf kleine, rozige, wit-stekelige wezentjes naast het oude egelwijfje liggen. In den namiddag wil ze ze aan haar man laten zien, maar ze zijn niet meer te vinden. Het egelswijfje heeft haar jongen naar een andere plaats toegesleept. Onder het oude boschje van de sleepruimeboomen heeft ze een nieuw nest voor ze gekrabt en ze warm toegedekt. Overdag zoogt ze hen daar, maar des nachts zwerft ze in den tuin en vreet zich dik aan slakken en wormen, graaft muizennesten uit en vangt jonge kikkers; ze spaart de jonge broed van het roodborstje niet ondanks het schreeuwen der ouden; ook de jonge merel, die over haar weg waggelt, neemt ze mee en met het naakte jonge wezeltje, dat ze weet op te speuren, maakt ze korte metten. Zelfs de groote bruine rat, die in de knip is gevangen geraakt, moet eraan gelooven; ondanks zijn spartelen en rukken wordt hij doodgebeten en van kop tot staart met huid en al opgevreten.

Na vier weken voert het egelswijfje haar vijf jongen naar buiten. Op een avond, wanneer de herder voor zijn deur zit en zijn pijp rookt, ritselt het achter het brandhout, en daar komt eerst snuivend en blazend het wijfje aangetrippeld en daarachter waggelen de vijf jongen. De herder is een ernstig

Sluiten