Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

man en lacht zelden; nu echter moet hij toch lachen, want het is te komiek, hoe daar die kleine dingetjes achter de oude aandrentelen, overal krabben en graven en hun neusje in alle gaten van den grond steken om haastig toe te snellen wanneer de moeder een geduchte worm heeft blootgegraven en zich die door de kleintjes weg laat happen. Sedert dien tijd is het een bizonder genoegen voor den herder en zijn vrouw om naar de egeltjes te gaan kijken, en opdat ze niet gestoord worden, wordt Widu iederen avond vastgelegd. Ook allerlei, dat zich eten laat, legt de man voor de egels neer; boterhammen versmaden ze, maar versch vleesch nemen ze graag en ook kleine visschen, die de herder voor de snoekhaak gevangen had. Toen de herder zag, dat de wijfjesegel zich altijd zoo krabde, ving hij haar en toen hij bemerkte dat ze vol ongedierte zat, smeerde hij haar met de zalf in, waarmee hij het ongedierte van zijn schapen verdreef. Sindsdien krabde zij zich niet meer.

Ondertusschen werden de kleine egels steeds grooter, bleven ook niet meer bij de oude, maar gingen hun eigen weg, en als de oude hen ontmoette, beet zij ze weg. Zoo gingen ze de wereld in; de eene naar de heideheuvels, de andere naar de eiken, een derde naar het bosch op de weide, nog een naar het dorp en de laatste naar het bijen-erf. Wanneer de herder een van hen trof, want hij herkende ze dadelijk weer, omdat hij ze alle, de één hij den kop, den ander hier of daar op den rug een bosje stekels had afgeschoren, wees hij ze den menschen aan en zei; „Dat is er een van mijn erf." Tot Ver in den herfst zag hij nu eens hier en dan eens daar een van zijn egels, en zelfs in Februari, toen, na wat lichte sneeuw, de zon al warm scheen, trof

Wjj en de Dieren 12

Sluiten