Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stander naar de keel te vliegen, deze week uit, gooide zich op den wind, maar stortte zich dadelijk weer op den vos, hem met de wieken bewerkend. Toen draaide de vos zich om, sloop door het riet weg, zich plat tegen den grond drukkend wanneer de trap weer aan kwam suizen, om dan met groote sprongen in de struiken te verdwijnen. De trappen waren naar het meer open land afgestreken en nog steeds opgewonden. De hennen en de kuikens hielden zich angstig dicht bij elkaar, maar de oude gent had maar kort de omgeving verkend, of hij begon rustig te azen. En toch was hij de eerste, die nu een heel in de verte naderenden traphaan bemerkte.

Nu rekten ook de hennen de halzen en keken de wazige vlakte in, waar juist boven de opgaande zon de schaduw naderde. De traphaan had hem spoedig herkend en begon weer te azen, maar de hennen bekeken nieuwsgierig den naderende, die op breed uitgeslagen wieken boven haar cirkelde, daalde, dicht bij haar inviel en zich dadelijk ijdel opblies, vleugels en staart uitspreidde, den kop achterover gooide, zoodat de baard als een waaier uitstond, en met korte passen pronkte.

De oude gent hief den kop op en keek den nieuweling aan. Dat temperde diens zelfbewustheid, hij liet zijn vleugels niet meer sleepen, want uit den blik van den andere had het weten gesproken, dat de nieuweling in het voorjaar bij het dingen naar een bruid door de sterkere hanen verdreven was, zoodat hij nu, terwijl de trappen nog bij elkaar bleven, alleen rondzwierf. Hij bekeek den oude, wiens aschgrauwe borst, en roestroode vleugels met de pikzwarte vlekken veel meer kracht verrrieden dan hij bezat. Na een poosje begon ook hij te azen,

Sluiten