Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vanwaar men de vlakte kon overzien. In de verte dreven vaak stofwolken en omhulden een buffelkar of een voortrollenden wagen. Eens echter, tegen den middag, toen ze verzadigd waren gaan rusten, klonk uit de laagte een scherpe, harde slag, een blauw wolkje steeg op, en een koppel eenden streek verschrikt af. De nieuweling, die weer voor wachter speelde, keek niet begrijpend rond; maar de oude ,z'ck opgericht en oogde voortdurend in die richting. En toen, nog heel ver weg, een gedaante opdook, die hen naderde, hield hij die onafgebroken in het oog. De gedaante stond een oogenblik stil, keek, en verdween in een laagte.

Op dat oogenblik gaf de oude het teeken voor de vlucht. De trappen slopen een eindje den anderen kant van de hoogte af, vlogen toen gedekt op en streken een eind de vlakte in. Daar gingen ze zitten en keken om.

De nieuweling was hen niet gevolgd. Hij liep op en neer, en probeerde de verdwenen gedaante te ontdekken, tot deze plotseling opdook, nauwelijks honderd pas van hem af. Toen hij met veel lawaai op de wieken kwam, kraakte al weer de scherpe knal, veeren stoven, hij wankelde een oogenblik, maar vloog verder en sloot zich bij de anderen aan! die voor een nieuwe vlucht opgestegen waren. Toen ze zich in veiligheid hadden gebracht, bleek dat de nieuweling een lichte huidwond aan de borst had opgeloopen en wat veeren had verloren.

De hennen omringden hem medelijdend, maar de oude gent toonde er duidelijk zijn minachting over, dat de andere het eerste voorschrift onder de groote trapganzen niet kende: zoolang men den vijand ziet, kan men zich tegen hem beveiligen en hem uit den weg gaan. Gevaarlijk wordt hij eerst,

é

Sluiten