Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

maar tegen het einde der maand trokken de wilde ganzen al weer het Noorden in. Toen werd het zoel en de dagen lengden. De groote schaar trappen begon uiteen te gaan. Weer zonderden ze zich tot koppels af en de hanen begonnen reeds met slepende vleugels de hennen het hof te maken.

Op zekeren dag verliet ook de oude gent met twee hennen den troep. Ze cirkelden urenlang onrustig rond, joegen elkaar na, maar toen ze op een hoogen akker wintertarwe waren ingevallen, verscheen opeens de nieuweling. Toen rekte de oude haan zich uit, kwam met uitgestrekten hals op hem aan gestormd en siste nijdig tegen den medeminnaar.

Deze blies zich op, bracht den kop ver achteruit, zoodat boven den baard alleen de snavel zichtbaar was, zette den staart steil en waaiervormig op en liet de vleugels klapperend voor de hennen op den grond sleepen.

De oude liet zich niet overbluffen, en met hangende vleugels sprong hij met kracht tegen den nieuweling op. Met geweldige sprongen en slaande vleugels ranselden ze elkaar, en de nieuweling moest oppassen, dat hij niet telkens weer onderste-boven werd geloopen, zoo krachtig was de aanval van den ouden haan.

Veeren stoven, grashalmen en aarde wervelden door de lucht, het graan werd vertrapt, de strijders hadden elkaar beet.

Bloeddruppels hingen reeds aan de halmen, parelden op uitgerukte veeren. Maar de strijd werd voortgezet en wat de nieuweling aan kracht tekort schoot, dat vergoedde hij door behendig uitwijken, opzij glijden en duiken, als de oude haan op hem afvloog.

Sluiten