Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

waardelijk gehoorzaamd moest worden. Stieren, die met elkaar wilden strijden ter wille der wijfjes, brulden elkaar onderweg hun uitdaging tegemoet, stampten op den grond, bevochten elkaar in woeste duels met hun rammeiende koppen en korte, openrijtende horens; maar steeds ging de massa voort, omdat het Zuiden met zijn zon-gedrenkte weiden ze riep, het Noorden met zijn dreiging van storm Ze voor zich uit dreef. En het geluid van hun loeien en hun hoefgetrappel steeg als een zwaar gedonder boven hun weg op, tot de heele vlakte ervan dreunde.

Hoe talloos hun aantal echter was, zij schenen er zich flauw van bewust, het was een vaag, algemeen, onpersoonlijk weten, dat hun getal en hun macht niets was vergeleken bij die der uittochten Van vroegere herfsten. Hun aanmatigend optreden, gevolg van het besef hunner onweerstaanbare macht was verdwenen. Zij bewogen zich somber, als gedrukt door een wolk van angstig voorgevoel. En de afzonderlijke kudden bleven dichter bij hun buren, dan tot nu toe gewoonte was geweest bij de horde, alsof ze beschutting zochten tegen een onbekend, maar dreigend kwaad.

Om den heelen wijd verspreiden buitenrand van de kudde liepen, sluipend en telkens wegkruipend, bun erfvijanden — kleine tengere geel-grijze prairieWolven en magere boschwolven. Op de prairieWolven, die alleen gevaarlijk waren voor stervende dieren óf heel jonge kalveren, die van hun moeder verdwaald waren, sloegen ze nauwelijks acht, behalve wanneer een zenuwachtig wijfje soms een toornigen uitval deed; vertrouwend op hun verbazende vlugheid, draafden deze soms een heel eind de kudden in, in de hoop een ziek dier te vinden,

Wij en de Dieren 13

Sluiten