Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

trent den „trek" naar het Zuiden en omtrent het samengaan met den troep.

Door steeds aan den buitenrand te blijven, hield hij zich in gereedheid om zijn kleine kudde los te maken van den grooten troep en in geval van nood te vluchten in de lage heuvels. Bovendien verschafte hij zijn klein groepje volgers den besten en lekkersten weide-grond door altijd aan den buitenkant te blijven.

Hoe onrustbarend de vermoedens van den bruinen stier ook waren, ze waren te vaag om hem duidelijk te maken wat hij eigenlijk vreesde. Voor de gebruikelijke gevaren van den tocht had hij juist zooveel angst als een wijs aanvoerder betaamt — meer niet. De sluipende prairie-wolven waren beneden zijn aandacht. Ze mochten rondsluipen of tusschen de kudden doorschieten als magere schaduwen, zoo dichtbij als de zorgzame wijfjes het veroorloven wilden, hij zou zich niet de moeite njsmen om de gepolijste zwaarden, zijn horens, tegen ze te schudden. Voor de groote, grijze wolven gevoelde hij minachting; maar, wellicht een vaag voorgevoel van den tijd dat hijzelf, oud en zwak geworden, uit de kudde zou worden gebannen, verhinderde hem te doen alsof ze er niet waren. Hij joeg ze woest weg, als zij zich binnen zijn gezichtsveld waagden. Maar voor een vijand, dien hij had leeren eerbiedigen, de Indiaanschen jagers, bleef hij voortdurend op zijn hoede; en de enkele blanke jagers, die de bisonkudden reeds zoo sterk hadden gedund, herinnerde hij zich met een vrees, waar mee wraakgierige wrok zich had gemengd. Niettemin was zelfs zijn gegronde angst voor die menschelijke vijanden niet voldoende om zich zijn schier panische voorgevoelens te verklaren. Die vijanden, zoo had hem zijn

Sluiten