Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

innerden zich, nog bevend in al hun leden, dat zij honger hadden en begonnen het met steenen en gruis bezaaide gras te vreten.

Den volgenden dag trok de sterke geslonken toep over de rivier, die op dit punt een scherpen bocht naar het Westen maakte, dwars over het pad van den „trek". De rivier was plotseling gewassen ten gevolge van een wolkbreuk hooger op, en verscheiden zwakke en jonge dieren verdronken tijdens den overtocht. Het troepje van Bruinen Stier echter, goed bewaakt en in gelid gedrongen, kwam er zonder verlies overheen, en daar er geen gevaar in zicht was, liet zijn voorzichtige leider hen aan het hoofd marcheeren.

En nu kwamen zij in een groen en vruchtbaar land, flink van water voorzien, waar het een genot zou zijn geweest eenigen tijd te blijven en op krachten te komen. Maar ook hier kwam opnieuw de blanke ze verjagen.

Bij het eerste spoor van dien meest gevreesden aller vijanden had Bruine Stier voorzichtiglijk zijn troepje achteruit gewerkt, zoodat ze niet langer de voorhoede vormden. De blanken vermoordden in 't wild en onverzadigbaar langs beide kanten, alsof niet de behoefte aan huiden en vleesch, maar enkel en alleen de wellust van het dooden ze bezielde. Een jager, wiens ponny in een dassenhol getrapt had en met hem gevallen was, werd door een gewonden stier op de horens genomen en onder zijn hoeven verbrijzeld. Dit spoorde zijn makkers tot nog meedoogenloozer woestheid aan. Zij merkten op, dat de troep klein was vergeleken bij de tallooze myriaden van vroegere jaren. ,,Die Roodhuiden daar in het Noorden hebben ons bestolen!" riepen ze met prachtige logica uit. Toen

Sluiten