Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

glooiing van den hals tot rug, een bijna onnatuurlijken overgang van teederheid tot kracht, draagt er toe bij om de sierlijke forschheid van dit lichaam te doen uitkomen.

De roode gloed der maan is in bleeklichtenden glans overgegaan en zilveren stralen dringen tot in de diepste geheimenissen van het grillig vertakte kreupelhout.

Langs de ruwe beharing van het edelhert glijden zij heen en weer, vlijen zich in de holte der flanken, tooveren aan de uiteinden der haren glinsterende puntjes en schilderen met onzichtbaar penseel een helder sprekend schaduwbeeld op den bemosten bodem.

Rondom staan hooge berken, met zilver-lichtenden bast en jeugdig groen loover; tusschen het mos groeien kleine eilandjes van malsch gras en langs het heldervlietend beekje wiegelen statige lisschen in onophoudelijke deining heen en weer.

Dit is de boschweide van het edelhert. Hier komt het eiken nacht om te grazen. Geregeld op hetzelfde uur schrijdt het rustig te voorschijn uit de duisternis van het woud.

Temidden der weide, in de schaduw van een wijdvertakten den blijft het staan, heft langzaam de schrandere kop op en luistert naar de geluiden, die over de heide komen aanzweven.

Is er in die klanken niets verontrustends, dan buigt het langzaam het hoofd en begint te grazen.

Het maanlicht sprenkelt glinsterende paarlen op het zilveren watervlak der beek. Donkere schaduwen vliegen af en aan en 't schril gepiep van de vledermuis wordt nu en dan onderbroken door het

Sluiten