Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ratelend geluid van den geitenmelker en het scherp gekef van het steenuiltje.

Door de kruinen der berken lispelen fijne stemmetjes en tusschen mos en gras trippelen duizenden voetjes van allerlei insecten, die in 't nachtelijk uur ■bun geheimzinnig leven leiden.

Eensklaps werpt het edelhert de kop omhoog doet de uiteinden van het gewei op den rug rusten en luistert. Er is onraad!

Plotseling wijken met ruw geweld de takken van het kreupelhout en eene bende evers, ouden gevolgd door jongen, komen te voorschijn, rennen en verspreiden zich onder hevig geknor en gedruisch over de boschheide.

Een lichte siddering beeft over den rug van het edelhert, de bruine oogen schieten vonken.

Inwendig kookt het van woede. Wat doen deze ruwe indringers hier op zijn boschweide?

Heeft het niet dagen achtereen moeten vluchten voor den jager, die begeerig was, hem zijn prachtig gewei te ontnemen. Is niet al zijn slimheid noodig geweest om het vrouwtje, dat weldra jongen moest werpen, een goede schuilplaats te bieden ?

En nu het eindelijk een plaats ontdekt heeft

waar tusschen het dichte eikenhout de jongen een

veilige beschutting vonden in het zachte bladerbed

en waar dichtbij de boschweide zich bevond met

het heerlijke malsche gras en de frissche lavende

beek nu wordt dit rustig plekje ingenomen door

een bende woestelingen, die door vernielzucht en

gerucht hem het veilig gevoel van voorheen ontrooven.

Want weldra zullen jagers en honden hun op 't spoor zijn; het zal niet moeilijk zijn, hen te vol-

Sluiten