Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i

gen, want overal, waar zij hun weg nemen, wijzen teekenen van vraat- en vernielzucht het spoor. Weder zal het moeten vluchten voor den jager en zal het dan opnieuw zoo gemakkelijk voor vrouw en kinderen een veilige schuilplaats vinden?

Woede en toorn maken zich van het edelhert meester; de haren op den halsrug rijzen op en schijnen zich te verdikken, de spieren der beenen zetten zich op als koorden en zichbare adem komt met geweld uit de opengesperde neusgaten.

Gelukkig treedt geen enkel zwijn het in den weg, want dan zou het zich er zeker op werpen om het met de geduchte horens te vernielen en 't met de pooten in 't stof te treden.

Uit den halfgeopenden mond klinkt een heesch geluid en de hoeven graven woest in den zandigen bodem.

Zachtkens wrijft het de horenpunten langs den bast van den denneboom, als mat het de kracht, waarmede het zijn goed recht zou verdedigen.

De wilde zwijnen, van niets bewust, kijken het hert met onverschillige blikken uit de kleine, dichtgeknepen oogen aan en gaan dan verder met wroeten en graven.

Hier zijn gras en wortels van boomen in overvloed en hier zullen ze telkens terugkomen, totdat er niets meer van hun gading te vinden is. Dan gaan ze verder, totdat een betere voedingsplaats hen weder voor eenigen tijd ophoudt. Voor een vaste standplaats voelen zij niets. Den omtrek af, stroopen doen zij 't liefst, en zoo wijd als de bosschen zich uitbreiden, zoo ver strekken zij hun gebied uit.

Zich één voelen met den schoonen zomernacht

I

Sluiten