Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tot ver in 't kreupelhout dringt haar licht en haar stralen bereiken zelfs het leger van het edelhert, waar moeder en jongen in onbezorgdheid nederliggen.

Over de korte fijne beharing van de hertenkalveren glijden zij heen en beschaduwen of lichten elke welving van het teedere lichaam op al naarmate het dan op zijn vcordeeligst zal uitkomen.

Zij liefkoozen de fijngevormde beenen, die haast te broos om het lichaam te dragen, van een weergalooze vlugheid spreken.

Langs den schoongewelfden hals schijnen zij en belijnen het verstandige kopje, waarin de ovaalvormige oogen vol vertrouwen en aanhankelijkheid naar hun moeder kijken.

Een onbestemd geluid klinkt door de nachtelijke stilte, en moeder hert weet, dat haar gemaal hen aan de boschweide wacht en er geen onraad te duchten is.

Zachtkens rijzen ze op en begeven zich achter elkaar langs het smalle voetpaadje naar beek en weide.

Op de vlakte joelen de jongen om moeder heen, maken de vroolijkste sprongen en oefenen zich in loopen en draven. Bij het minste geritsel schuilen ze echter angstig achter haar weg. De ouden grazen, vlak naast elkander gaande, het malsche gras af of knabbelen hier en daar aan de jonge blaadjes van een beukestruik. Plotseling wordt de stilte verbroken, de betoovering is weg; de nachtegaal in gindsche boschje zwijgt en wederom verspreidt de bende zwijnen zich als booze geesten over de boschweide.

Schuw schuilen jonge hertjes achter de ouders, die langzaam het hoofd oprichtend, met wreveligen

Sluiten