Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

al heel aardig geleken moeten hebben op de meest bezonken en leerstellige oden van Horatius.

Zij zat als een grootmoeder bij het spel van de herderskinderen, die haar moesten hoeden. Als ze gekund had, zou ze vast geglimlacht hebben bij de gedachte, dat Rosa en Pinin tot taak hadden er op te passen, dat zij, Cordera, niet buiten de perken ging, niet op den spoorweg zou gaan staan of naar het naburige land zou springen. Wat zou zij springen. Waarom zich op vreemd terrein te wagen? Af en toe wat grazen, niet lang iederen dag wat minder, maar met aandacht, zonder tijd te verliezen door uit dwaze nieuwsgierigheid de kop op te richten, zonder aarzelen de beste hapjes uitzoeken, en dan lekker op dijen en buik te gaan liggen om het leven te herkauwen: dat was het, wat ze te doen had. Al de rest beteekende gevaarlijke avonturen. Zij herinnerde zich den tijd niet meer, dat ze wel eens uit haar evenwicht geweest was. „De stier de dwaze sprongen over de weiden, wat lag dat

alles al ver in het verleden!"

Die vrede was alleen maar eens verstoord in de dagen van de proefritten van den trein. Toen Cordera hem voor de eerste keer zag voorbijkomen, werd ze gek. Op het hoogste punt van de Somontewei was ze het hek overgesprongen. Gedraafd had ze door andermans weiden, en de angst had dagenlang aangehouden en hernieuwde steeds met meer o minder heftigheid, wanneer de locomotief op den hollen weg opdoemde. Langzamerhand was ze aan het ongevaarlijk lawaai gewoon geraakt. Toen ze zich er ten slotte van overtuigd had, dat het een voorbijgaand gevaar was, een ramp die dreigde, maar nooit kwam, beperkte zij haar voorzorgsmaatregelen ertoe, te gaan staan en met opgeheven

Sluiten