Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hadden, kenden Pinin en Rosa geen rust meer. Midden in de week verscheen de opzichter van Antóns pachtheer. Het was óók een boer uit dezelfde buurtschap, een „kwaje", meedoogenloos voor pachters, die met de betaling achter waren. Antón, die geen standjes lustte, werd doodsbleek bij de dreigementen van uitzetting.

De eigenaar wilde niet langer wachten. Goed dan, hij zou voor dit maal de koe tegen een spotprijs verkoopen. Er moest betaald of de straat op.

Den volgenden Zaterdag ging Pinin met zijn vader mee naar den Humedal. Het kind keek vol schrik naar de vleeschopkoopers, de tyrannen van de markt. Cordera werd voor haar prijs door een bieder uit Kastilië gekocht. Ze kreeg een teeken op haar huid en keerde, verkocht nu, eigendom van een ander, droevig met haar klokje klingelend, naar haar stal in Puao terug. Achter haar aan liepen Antón de Chinta, zwijgend, en Pinin met droevige oogen; toen Rosa den verkoop vernam omhelsde ze Cordera, die haar kop boog, voor de liefkoozingen als voor het juk.

„Nou is de oude weg!" dacht de stuursche Antón met een verscheurd hart.

„Nou ja, ze was een beest, maar zijn kinderen hadden toch geen andere moeder of grootmoeder."

Die dagen heerschte er een grafstemming bij het grazen, in het groen van de Somonte-wei. Cordera, onwetend van haar lot, rustte en graasde als altijd, sub specie aeternitatis, zooals ze nog zou rusten en eten éen minuut voordat de ruwe knuppelslag haar neer zou vellen. Maar Rosa en Pinin lagen troosteloos languit op het gras, dat voortaan van geen nut meer zou zijn. Wrokkig keken ze naar de treinen, die voorbijgingen, naar de telegraaf-

Sluiten