Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ANDRÉ DEMAISON: POUPAH, DE OLIFANT *)

ÜOUPAH was dronken en verging van honger op dezelfde aarde, waarover zijn voorouders heerschten, toen de menschen nog -u-~ niet meer dan een goddelijke mogelijkheid waren.

Van het Tchad-meer tot de kust van den Atlan-. tischen Oceaan doorkruiste zijn overgrootvader, grootmeester der wildernis, met dreunende stappen vlakten en wouden. Wanneer hij tusschen de mondingen van de Sanago en de Niong de zee vlak voor zich zag, keerde hij onmiddellijk om naar de opgaande zon.

Op zijn weg vrat hij de toppen van de jonge hoornen, schilde met zijn slagtanden de schors van boomstammen, even groot als hijzelf en maaide onvermoeid de hooge sissongho-stengels af, het zoogenaamde olifantsgras, waarvan de doornen de huid van een mensch zoo pijnlijk verwonden.

Toen Poupah nog klein was, had hij in de kudde zijn moeder gevolgd en haar voor de voeten geloopen op gevaar af van omvergeloopen en met de slurf weer opgeraapt te worden. Op een dag had de sombere kudde dikhuiden luider dan anders het trompetgeschal doen klinken. Plotseling zag Poupah zijn moeder struikelen en vallen; haar slagtanden boorden zich in den grond. Een droog, hard geluidje was de gebeurtenis voorafgegaan, een geluid, dat niet te vergelijken was met een donderslag in het

*) Dieren die men „wild" noemt. Boekerij „De Voortganck", Amsterdam. Vertaling, A. de Graaf-Wuppermann.

Sluiten