Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slechte seizoen. Poupah had bij zijn moeder willen zuigen, maar haar achterpooten, die zich snel als in galop bewogen, hadden hem op een afstand gehouden. Toen hij toch naderbij was gekomen om haar in de oogen te kijken, had hij net eventjes gezien, dat haar hoofd tusschen oog en oor, maar iets dichter naar het oor toe, daar waar in de beenderen een trechtervormige opening is, was doorboord.

Op dat oogenblik hadden dolle zwarte mannen zich onder het uiten van schrille kreten op hem geworpen en hem gegrepen om hem kluisters aan te doen. Poupah had, door een inwendige stem geleid, met zijn slurf links en rechts, naar boven en naar beneden gezwaaid en daverende klappen doen neerkomen op den rug zijner aanranders. De zwarten, die doodsbang werden, hadden hun prooi losgelaten, maar twee blanken waren handiger geweest, hadden een touw om hem heen geslingerd en hem zoo tot onbewegelijkheid gedoemd.

Met zijn slurf als een worst met touwen omwonden had Poupah nog wat tegengesparteld en wat lawaai gemaakt om zijn vader en zijn familieleden te roepen. Maar slechts gelach was het antwoord geweest. Van dien dag af zou Poupah nooit meer den kreet der olifanten hooren, maar behalve de gewone dorpstaai slechts Duitsch, uit den mond van den blanke, die hem had gebonden en die een Mauser in de hand hield.

Totaal verbijsterd was Poupah meegevoerd langs smalle sporen in het bosch en langs voetpaden door vlakten en doorwaadbare plaatsen tot in een groote stad, gelegen aan een breeden riviermond. De hooge huizen, die hij voor geweldige beesten hield, die hem konden vertrappen, joegen hem een doodelijken schrik op het lijf. Maar hij was toen

Wij en de Dieren 16

Sluiten