Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een man, die hem zout smakende versnaperingen had gegeven, en bovenal brokken witte steen, waarvan de smaak hem het hoofd op hol bracht. O! die suiker! Eerst aan stukjes toen aan broodjes! Suiker, die hij de eerste maal angstig had laten smelten en door zijn teere keeltje had laten glijden en die hij nu met een kauwbeweging kraakte, waarna zij zijn tong bedekte met verrukkelijk kleverig sap. Suiker, die jonge bamboescheutjes, ja zelfs geurige, dikke bananen verre te boven ging. De oogenblikkelijkc drang van de Begeerte deed dus de weegschaal van Poupah's bestaan doorslaan naar den kant van de stad. En hij werd niet teleurgesteld. Hij vond wel geen baas, maar alle winkels waren open. En al wilden de menschen hem niet de kost geven, zij propten hem daarom toch wel vol met suiker. Ze vonden het wel aardig als hij zijn slurf door de spijlen der veranda's stak of die kromde over de balustrade of de toonbank, of als hij met de lippen — precies als met twee vingers van de hand — de lekkernij oppakte en haar met een rustig, golvend, bescheiden gebaar in zijn keel deed glijden. Te Doeala heeft niemand behoefte aan een olifant, maar iedereen had behoefte aan een verzetje. En dat werd Poupah's ongeluk.

Op een veertienden Juli, toen Poupah zijn gewonen rondgang door de stad maakte en zich verwijderde van de inlandsche markt, waar alleen maar vleesch en visch was en de bananen bewaakt werden door een dikken knuppel van hard hout, vond hij de winkels gesloten. Boven de deuren hingen groote gekleurde lappen stof te wapperen en in den wind te klepperen, maar geen hand stak hem een stukje suiker of een zout koekje toe.

Om naar zijn erf terug te keeren, waar hij eens

Sluiten