Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koning der wouden. Gesproten uit een vrij ras, dat overwinnend de jungle doortrekt, werd Poupah tot een bedelaar, tot een diep gezonken bedelaar.

Nog onder den invloed van die tot hiertoe ongekende verdooving, keerde hij terug naar de plaats, waar zij over hem was gekomen. Maar overdag was de societeit leeg en 's avonds bij kunstlicht durfde Poupah niet uitgaan. Hij drentelde dus de markt over en zag niets dan koopvrouwen, die hun manden beschermden en als bezeten begonnen te gillen en slagers, die stukken vleesch aan 't uitsnijden waren. Die spotten met hem en noemden hem „een taai boutje", terwijl zij met veel vertoon hun messen slepen als hij voorbijkwam.

In de winkels vond hij de mannen met de witte gezichten terug, die hem hadden grootgebracht en gelukkig gemaakt. Hij stak zijn slurf naar hen uit, werkelijk zooals een ongelukkige smeekend de hand uitsteekt in de hoop op een aalmoes.

Nu de eerste aardigheid er af was, kreeg Poupah niets voor niets. „Opzitten" klonk het hier en „pootjes geven" klonk het daar, en dan moest Poupah uit den treure zijn slurf opheffen en zijn ooren bewegen, die groote ooren, die Afrika s vrije, machtige natuur hem had gegeven, -—■ om te bedelen om dien drank die hem op de tong prikte en in zijn hoofd en lichaam de vroeger niet gekende

vreugde goot.

Poupah vertoonde dus zijn kunstjes en zwaaide ook net als een menschenhand met een flesch jenever, hij danste zoo licht als dat voor een zwaar lichaam met een dikke zwarte gerimpelde huid bekleed, mogelijk was, hij zong en schreide, alles om dat vuurwater machtig te worden dat hem zijn voorouders duizende jaren vooruit deed zijn.

Sluiten