Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem dadelijk daarop bitter smaakte. Hij keek niet meer naar den onderkant der muren; 't was lang geleden dat hij het laatste eetbare gras had uitgetrokken, van de soort die een olifant kan eten zonder ziek te worden. En zoo belandde Poupah dan eindelijk dwars door allerlei straten en na de markt te zijn overgestoken, aan den oever van den breeden riviermond.

Hij zou zich graag gebaad hebben in de groote hitte, maar hij was erg bang voor zeker soort pikzwarte monsters, die daar dreven met drie slurven in de hoogte gestoken, die loeiden, spuwden en rookten en waarop mannen klommen, die leken op hen, die zijn moeder hadden gedood. Het water zelfs, waarmee hij speelde en dat hij wilde drinken, was brak en stond hem tegen. Hij was overtuigd, dat hij een slaaf der menschen was en die waren immers de meesters der putten met zoet water. En zoo wist hij niets beters te doen, dan maar weer den walkant op te klimmen tusschen de opgestapelde vrachtgoederen.

Daar betastte hij de blikken, schudde aan de zakken en snoof de lucht op van den alcohol, die onder de verzengende zon door de kurken heen trok, en de honingachtigen geur van ruwe suiker. Maar de zwarte bewakers joegen Poupah met riemslagen weg, sinds deze eenige flesschen jenever had omgegooid en den alcohol uit de gebroken flesschen zoo maar van den grond had opgezogen. Berustend, met knagenden honger ging hij dan naar het station met het voorkomen van iemand, die geen mensch kwaad wil, ja zelfs geen twijfelachtige bedoelingen koestert. Hij hield zich dan eenige oogenblikken op vooraan in de inlandsche wijk en liep in melancholieke stemming de groote

Sluiten