Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

laan van cocosboomen in, die de trots van de stad uitmaakte.

Als hij zich heel bescheiden tegen de boomen schuurde, vielen de cocosnoten met een geluid als van een tam-tam op zijn rug.

De avond bracht weer de vage verschrikkingen mee en Poupah betrapte er zich op, dat hij met den schommelgang, die hem erfelijk in het bloed zat, zijn verblijf rondliep, stampvoette of er den draf in zette, die door alle woudbewoners gevreesd wordt, den telgang, die maakt dat de taal, die een olifant 's morgens hoort een andere is dan die, waarin hem bij het ondergaan der zon verwenschingen worden toegeslingerd.

En dan deed de wind van het bosch, dien hij met volle teugen opsnoof hem de stem van de blanke meesters vergeten, die hem toch als muziek in de ooren had geklonken.

Op een nacht, op het oogenblik, dat de hanen beide oogen sluiten, zei de zwarte bewaker van de Residentie: „Poupah is weg".

Het onverwachte had plaats gegrepen. Poupah was inderdaad door de poort, die men niet de moeite meer nam te sluiten, verdwenen.

Toen het weer even opklaarde, verlichtte de maan den weg. Poupah ging naar het bosch en liet de stad achter zich. Hij hoorde niet langer het geluid van dansen en nachtelijke gesprekken, maar alleen zijn eigen, vlugge, dof klinkende stappen.

Wonderlijk! Nooit had hij op zijn eigen loopen gelet en nu verkeerde hij in een soortgelijk geval als een menschenkind, dat zij handjes ontdekt.

Waren het eigenlijk zijn eigen stappen of die van

Sluiten