Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot zijn opgeheven slurf, zijn geopende ooren, zijn knippende oogen en zijn ruwe huid machtige stroomingen, fluisteringen die hij vergeten was, geluiden, die hij nimmer had opgemerkt en geuren, milder dan die van de stad. Scherpe geuren, opstijgend uit rottende bladeren en doordringende geuren van kostbare harsafscheidingen, stuifmeel van palmboomen, bloesems van lianen en ontelbare bloemkronen, die ontspruiten aan de gistende aarde.

. . . Zoo wordt dan het gansche leven van het oerwoud over Poupah gestort.

Verstomd staat Poupah stil. Rillingen trekken de huid zijner flanken van achteren naar voren, gejaagd zwiept zijn staart heen en weer. Tot nog toe is hij wel onrustig geweest, zooals een leeuw, die zijn prooi meesleept, maar nu wordt hij door aandoeningen overstelpt, door het bosch, dat den zoom van zijn mantel wel schijnt te hebben opgelicht om hem te beschermen; het bosch, dat — dit gelooft hij zeker — ook den meest onverzadigbaren eetlust van een olifant kan bevredigen.

Dan herinnert Poupah zich, dat hij honger heeft en dat de behoefte, om zijn geweldige maag te vullen, geen oogenblik uitstel gedoogt, behalve dan wanneer hij het brandend water der blanke mannen drinkt. Poupah begint te grazen en de jonge scheuten van struiken af te vreten. De maan verlicht het feest.

Maar terwijl hij zich verplaatst, trapt Poupah op een dorren tak. De droge knap klinkt plots over den boschrand. Apen, die boven in de boomen zitten, worden wakker en buigen zich voorover, terwijl zij zich met de handen vastklemmen. Wat

Wij en de Dieren 17

Sluiten