Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijn lot gaat zich voltrekken vlak voor de wildernis, waar hij is geboren....

En dan maakt de Begeerte gebruik van zijn verwarring en keert tot hem terug en roept hem. En Poupah wendt zich om naar zijn kant. Heel in de verte bemerkt hij tegen de lucht een lichtje, een van die sterren, die de blanke mannen naar believen aansteken en uitdoen, zooals Poupah zelf zijn kleine oogen open- en dichtdoet. De koude, die hem had doortrokken, wordt minder. Hij denkt aan vuurwater. De gedachte alleen verwarmt hem. Het huilen van een hyena geeft den doorslag. En eensklaps slaat Poupah den weg in naar de stad, met de slurf naar beneden, onder den rustigen, oolijken blik der maan, die maan, die hij vroeger nooit zoo heeft opgemerkt, vervolgd door den bijtenden spot van het geheele bosch, zijn oogen gevestigd op het lichtje, dat schittert aan den gezichtseinder.

Aan schrik ten prooi of verlost van hun angst maakt de geheele jungle gerucht als hij voorbijgaat. Dit maakt, dat Poupah in gestrekten draf naar de omheinde ruimte snelt, waar niemand hem bedreigt. Hij heeft zich zelfs geen tijd genomen om te eten, hij voelt zijn honger niet. En zijn buik is zoo plat, dat zij als een ledige, door den wind bewogen zak hangt te bengelen.

De waker van de Residentie vermeldde in zijn nachtrapport eenvoudig:

„Poupah is weggeloopen, maar is weer terug..."

Niemand schonk eenige aandacht aan de grillen van het jonge dier. En Poupah zwierf als naar gewoonte over de markt en langs de winkels.

Met toenemende berusting leerde hij de gewone

Sluiten