Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan Poupah zich heerlijk overgeven aan slaap en vrede. Zijn moeder besprenkelt hem met haar slurf, om hem te wasschen evenals toen hij klein was en zij aan een meertje kwamen. Ze is niet alleen. Een voor één komen verscheiden olifanten van de stam, die hem omringt, hem gelukwenschen. De stam groeit aan tot een groot volk, een zwarte, bewegelijke muur, die hem omgeeft. Duizendmaal duizend slurven putten water in het moeras, besproeien hem en omgeven hem als een woud van palmboomen zonder kruin. Duizende pooten, zoo dik als boomstammen van twintig jaar oud, stampen om hem heen, dansen den „moerasdans" en den dans van „het groote offer", waarbij de ziel der olifanten zich vereenigt met die hunner voorouders, wier ivoor ligt te vergaan tusschen hun reusachtig gebeente.

Oorverdoovende geluiden rollen over Poupah heen: zonder twijfel het trompetten, honderd maal herhaald door ontelbare rose kelen, bewaaid door mateloos groote ooren.

Poupah zou willen meedoen en zich oprichten, stampen, dansen, met opgeheven slurf, trompetten, de ooren bewegen, zich verheugen in het voorvaderlijk rhytme. Maar Poupah heeft te veel gegeten. Poupah is zwaar, zoo zwaar, dat hij zich voelt wegzakken. Het slijk stijgt op langs zijn flanken. Hij zal er in verzinken. Waarom zakt hij zoo hulpeloos weg?

Maar de kudde waakt. Zij komt in beweging en wil hem ontrukken aan de omklemming van het slijk. Slurven trekken hem aan de pooten, den staart, de slurf, de ooren. Er wordt van alle kanten aan hem getrokken. Een groote mannetjesolifant, die 't zich erg druk maakt, valt bovenop hem en verplettert

Sluiten