Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hem. Poupah haalt met moeite adem. Hij zit aan alle kanten vastgekleefd aan den warmen modder, die hem naar de diepte meetrekt.... Zijn oogen worden omfloerst.

Doodsangst grijpt Poupah aan. Hij zou niets liever willen dan zich losmaken van dien grooten baas, die zonder het te willen — of hem te kastijden omdat hij voor de Begeerte bezweken is — zijn slagtanden in Poupah's schouderholte plant.

Poupah wil roepen. Hij doet zijn snoet, die duf naar alcohol riekt, open. Hij roept.

Helaas! De geheele kudde wendt zich af, de duizende pooten verspreidden zich, de troep stuift uiteen, het volk der donkere massa's vlucht met de slurf omhoog, al schreeuwend: ,,Poupah riekt naar menschen!.. . Poupah heeft den Roep verzaakt.. . Poupah stinkt naar slavernij. . . .! Uit Poupah's bek komt een doodslucht. . . .!

Dit alles natuurlijk in olifantentaai, die om zich verstaanbaar te maken, niet zooveel verschillende klanken noodig heeft als de grove menschentaal. Het is de taal, waarvan zich sedert de Schepping het volk bedient, dat de aarde beheerscht, zooals de termieten onder de aarde regeeren.

En op het oogenblik dat zijn ware levensweg voor Poupah onthuld wordt, sluit het moeras zich over hem. Hij zinkt er in weg als in een heerlijk bed van zacht gewas in de schaduw van reusachtige boomen, die hun bladeren zachtkens op hem laten vallen.

.... Alles is voorbij! Poupah ligt verlaten onder den blik der maan, wier wolkensluiers door den wind verwaaid zijn. Hij is roerloos en licht gewor-

Sluiten