Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sinds den tijd dat hij denken kon. Hij was in de streek geboren, leidekker geweest en daarna tuinmansknecht, had in Parijs bij de openbare bosschages gewerkt, en was, naar het Zuiden teruggekeerd, de „gardien" geworden van Canty-sur-Mer's dierentuin. ,,Jean onze oppasser" tot zijn vijf en vijftigste jaar naar approximatieve berekening, en toen: Jean, onze oude oppasser!

Jean Raguenot, die met Maria, geboren Marinelli, zijn vrouw, een klein huisje van twee kamers, dat aan het bloemen- en plantenkasje aangebouwd was, bewoonde, begon om zes uur zijn dagelijksch werk. Op zijn gele klompen liep de kleine, magere man het tuintje in, dat al tintelde onder de milde gulden zonnestralen. Alles zong er, tot zelfs de paden met hun schelpenstrooisel. Alleen de palmen en de aloë's waren zoo zwaar van blad dat hun ernstig donker groen zijn afzonderlijke ingetogen nadenkendheid handhaafde tegen den dans van de stofjes, het bruidsgeluk van den jongen blauwen hemel en de, de contouren der voorwerpen breed en zacht wegmaaiende lichtbanen.

Jean, die alle dieren verzorgde en niet als gespecialiseerde oppassers van groote tuinen op de aan hun zorg toevertrouwde dieren kon gaan lijken, had een gezicht dat tanig en doorgroefd was als de kop van een Afrika-leeuw, een stem die even brommig en onomlijnd was als die van een beer en verstandig-nieuwsgierige bruine apen-oogen. Met voldoening dat alles bij het oude was gebleven en hij en zijn dieren nog leefden, ging hij eerst naar zijn roofdieren, een leeuwin en een wolf.

Het was geen roofdierengalerij die Jean verzorgen moest, maar drie naast elkaar staande kooien,

Sluiten