Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

koe dood op 't erf, de pooten van den rechterkant neergeklapt over de linker. Met zijn rimpelige, bruine hand veegde Jean zich de oogen af en leunend op den steel van den takkenbezem gedacht hij in stilte het goede dier en zijn groote verlies.

Zelfs Maria had meelij met Jean's geslagenheid en zei, met haar blik naar haar Madonna gericht: ,,La povera, nostra buona vacca".

En op een Zondag in den namiddag, toen Levantini, de schrijver-in-rust en Loiseau, de dokter, de twee machtigste bestuursleden — de schrijver omdat hij artistiek, de dokter omdat hij wetenschappelijk de dieren het naaste stond — den tuin bezochten, Levantini had zijn kleindochtertje uit Parijs bij zich, verstoutte zich Jean.

Het kleindochtertje wilde het nachthok van de apen eens zien, een gril die alleen in een klein Parijsch meisje kan opkomen. De oude oppasser en het drietal gingen de bedompte zwarte ruimte binnen. De bestuurderen hielden de zakdoeken voor den neus. ,,Charlotte, mijn apin" liep kalm van de buitenkooi naar 't nachtverblijf, gewend aan een tête a tête met den oppasser, wanneer deze den sleutel in het slot stak van het stoffig gebouwtje dat achter haar buitenkooi lag. En in die vertrouwde omgeving, nadat juist de dokter gezegd had dat er hier een vreeselijke lucht heerschte en dat dit niet anders dan nadeelig voor de dieren zijn kon, begon Jean plots te spreken. „Niet om wat te zeggen, maar ik doe m'n best. Ik verzorg ze goed, al zeg ik 't zelf. Maar de dood, weet u, de dood, daar kan men niet tegen op. Er gaan er weg en er komen er niet bij. Als Mijnheer eens wil spreken met de andere heeren. 't Is zonde voor zoo'n prachtige verzameling." — ,,Ik stik hier",

Sluiten