Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zakelijkheid te zijn, en voelt zich niet gelukkig als men ook hem belangrijk vinden gaat!

In dat plaatsje met die drukke lieden kende eigenlijk niemand dan orang-oetan behalve Jean. Nooit nog had hij den aanblik van zijn dieren, van wien hij toch allen veel hield, aan anderen misgunt. Maar nu was hij in stilte jaloersch, fel jaloersch op al die lieden die zijn orang mochten aangapen. Zijn orang, zijn eigen orang, Jacquot, mon orang-outang!

's Morgens vroeg, nog voor dat Jean als naar gewoonte zijn roofdierkooien ging uitschrobben, liep hij het serretje naast zijn huis in. Hij ging voor de kooi van den menschaap staan en met hooge, teere vogelgeluidjes, die men niet van Jean's oude stembanden verwacht zou hebben, riep hij zachtjes: „Jacquot, kom eens bij je baas!" Soms keek dan de orang-oetan om den rand van de opening van 't kleine nachthok en spitste zijn vleezige onderlip. Ook wel eens had hij den nacht doorgebracht op het houten kooitje. Hij trok dan met een trage beweging als een vervuilde luie bedelaar in lompen, een doek, dien hij zich om hoofd en rug gespreid had, weg en verscheen in de verfomfaaiing van zijn rood-vlokkige vacht, aan wier verwarde haren vele stroo-sprietjes zich hadden vastgehaakt. Was het kinderplagerij, wanneer hij ondanks Jean's lokstem en diens hooge woordjes kalm bleef zitten en met zijn bruine oogjes den ouden man aandachtig aankeek. „Kom dan, toe dan, kom bij de baas, Jacquot!" En als Jean lang genoeg om genegenheid en wederliefde had gesmeekt, gebeurde het, dat Jacquot zich plotseling op den kooibodem liet glijden en met de lange voorarmen, de knokkels van

Sluiten