Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de vingers naar buiten toe, zijn afloopend lichaam naar voren schommelde, bij iederen stap het onderlijf tusschen de machtige armen zwaaiend. Dan ging hij tegen de tralies zitten en liet zich krabben en streelen door den ouden oppasser, die hem een koekje of een banaan in de voorzichtig ongelooflijk ver vooruitgeschoven tuitlip legde of hem een sinaasappel in de grauwe, melaatsch-harde hand tusschen de lange raspige vingers en den korten duim duwde.

Dan met schoone langzaamheid, in iedere beweging zijn groote, zich niet reppende kracht openbarend, klom de orang-oetan tegen de tralies op, greep een touw en zwiepte het machtig lijf op een boom. Daar verdween het kinderlijk aapachtige en hij zat stil tusschen twee dikke gaffelende takken, kalm en aan tijd verzadigd en tuurde voor zich. De lei-blauwe, zware wangzak hing plechtig op den opgebolden buik, de geweldige armen strekten zich evenwijdig met de takken, en het dier rustte in het onderbewustzijn van zijn kracht en zijn ondervinding van wat er op aarde gebeuren kan.

En Jean dacht: „Is hij niet mooi, is hij niet eenig mooi, Jacquot, mon orang-outang?" Wanneer Jean zich lang verdiept had in de eerbiedige beschouwing van den donker-rood-bruinen stillen verzadigde, tegenover wien hij zich een kind voelde en met wien hij misschien ook wel zijn eigen ouderdom vereenzelvigde, ging hij aan het overige werk, maar een groet met de hand, die hij even horizontaal ophief en waarvan hij zich niet bewust was, bracht hij den orang-oetan.

De orang-oetan was op een kritiek oogenblik gekomen. Jean Raguenot was reeds te oud om de

Sluiten