Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de orang-oetan, die Duivel, die hem er toe aanzette van hun wijn en hun brood, hun mais en hun sinaasappelen te nemen. Of Jean meende, dat Jacquot niet genoeg voedsel kreeg, of dat hij wilde, dat deze god niet alleen van 't vreemde, maar ook van 't zijne nemen zou, de oude oppasser stal zooveel als hij dacht dat zijn vrouw niet merken kon en bracht het naar den rooden aap.

Het wei-gevoede, kalme dier schonk soms geen aandacht aan den kinderachtig lachenden, tanigen ouden man, die hem met vleiende woorden riep en hem vroeg om toch maar iets van hem aan te nemen. Wanneer de orang echter langzaam van zijn takken gaffel neerdaalde, zich naar het hek slingerde, heel het lichaam voorover liet vallen, als een heuvel begroeid met ruig-rood gewas voor de tralies lag, den blik van zijn breeden, platten kop met den vooruitstekenden bollen mond naar Jean richtte en leek op een wetenden, zinnenden idioot, dan klopte het hart van den ouden oppasser van verwachting. Zou het dier iets van hem nemen? Uit de roode wirwar maakte Jacquot een ontzaglijken arm en een ruige hand met zwarte metaal-doode nagels los, stak die tusschen de tralies door en nam den kroes met wijn, dien hem de oppasser aanreikte. Hij zette de gespitste lip er in en dronk. Jean's gave was in genade aangenomen.

Wanneer de oude oppasser, die de beenen niet goed meer kon oplichten, door den tuin slofte op z'n gele klompen, om machinaal zoo goed en kwaad als het ging zijn werk te doen, wanneer hij des avonds aanzat bij 't middagmaalje en s nachts wanneer hij rustte, altijd mijmerde hij over Jacquot, „mon orang-outang". Van beschermer voelde hij

Sluiten