Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

notiseerd, als een kind dat over een sloot moet springen, al heeft het aan den overkant niets te zoeken. Hij wilde nu eens eindelijk bij zijn boschrooden God zijn, die op zijn verlangen in den tuin gekomen was. De oude man draaide de schroef van het tralie-deurtje los en maakte in een laatste opwelling van oppassersbesef de deur achter zich toe. Langzaam trok de aap de doeken van zich af en wierp ze weg. Nieuwsgierig daalde hij van zijn hok af en keek met zijn kleine ernstig-dwaas-oplettende oogen naar Jean, die nu rechtop voor hem stond. De aap kwam nader, vond het waarschijnlijk grappig zijn bewaker zoo dicht bij zich te zien en legde een van zijn machtige armen op den schouder van den ouden oppasser, die vriendelijk-aanmoedigende woorden tot hem bromde. Toen werd de oude orang-oetan speelsch door het ongewone samenzijn met den oppasser en trok met zijn nagel de mouw van Jean's boezeroen van schouder tot manchet open. Daarna liet hij gelukkig den man los en klom in zijn boom. Het werd Jean in een terugkomende felle opwelling van werkelijk inzicht schreeuwend duidelijk, dat het groote dier hem met hand en kaken kon vermorzelen en in een omhelzing verstikken. Hij werd door angst overmand en voelde zich in 't hok van den reusachtigen orang-oetan verloren, geofferd. Plotseling in 't besef van zijn normaal volwaardig ik, wilde hij zich een stuk leven terug veroveren. Omzichtig kroop hij naar de deur en, hoewel hij Jacquot s aandacht wekte, ontweek hij diens achterdocht, totdat de schroef weer opengedraaid was, de deur naar voren geduwd en de man de kooi verlaten wilde. Maar met een vluggen sprong was de mensch-aap bij Jean en greep den oppasser, die de deur geopend

Sluiten